24 november 2010
Bijl

Volgens Erik Schreijen moeten de bezuinigingen op cultuur als een kans moeten worden gezien voor de Nederlandse kunstsector om meer op het Amerikaanse op fondsenwerving geënte systeem te gaan lijken (Volkskrant Opinie & Debat, 18 november). Nu kom ik ook graag in New York om er te genieten van de rijke musea en de theatercultuur. Maar anders dan Schreijen hou ik mijzelf niet voor de gek door te denken dat New York en de Verenigde Staten hetzelfde zijn.
Amerikanen die niet in een grote stad wonen, zijn gemakkelijk een dag onderweg om iets wat op een theater lijkt te kunnen bezoeken. De kaartjes die ze dan moeten kopen, zijn vaak zo duur dat de meeste mensen er simpelweg het geld niet voor hebben. Deze zomer betaalde ik in New York 90 dollar voor een meesterlijke vertolking van Thornton Wilders Our Town.
Na afloop vertelde een producent mij dat de meeste acteurs die in het bejubelde stuk speelden, er overdag een extra baan op na houden om in hun levensbehoeften te voorzien. Aan acht optredens in de week houden ze minder dan 300 euro per week over. Spelen in een zeer gunstig besproken toneelstukken van New York is letterlijk verworden tot een hobby.
Zelf trad ik deze zomer een paar weken op in het Soho Playhouse. Een New Yorks theatertje waar onder anderen Edward Albee veel stukken schreef en in première liet gaan. De stoelen in de zaal waren ver over hun houdbaarheidsdatum heen om nog maar te zwijgen van de achterlijke, zwaar verwaarloosde techniek achter de schermen. Vrijwel iedereen die in het theater optrad, hield er te weinig geld aan over om er een kamer in New York van te bekostigen. Wie geen geld heeft kan dus, als hij zelf nog eens naar het theater wil, beter een andere baan zoeken.
Terwijl er in New York toch genoeg bankiers rondlopen die zoals Schreijen het zo optimistisch verwoordt best wat geld willen geven om hun ‘gedeukte imago weer wat op te vijzelen’. Feit is dat de meeste giften bij een paar prestigieuze instellingen terechtkomen. De rest verkeert voortdurend aan de rand van de afgrond of is daar al overheen gevallen.
Ondanks die culturele armoede, die iedere kilometer buiten New York schrijnender wordt, valt niet te ontkennen dat er in steden als New York, Chicago en Los Angeles een aantal zeer welvarende operahuizen, theaterzalen en musea staan die vrijwel al hun geld ophalen uit de private sector. De kaartjes zijn duur, maar ze bestaan. Maar wie dat voorbeeld in Nederland wil navolgen, moet eerst de bevolking van Nederland even groot maken als die van Amerika. Want het is natuurlijk de wet van de grote getallen die maakt dat er tussen alle culturele armoede nog een paar culturele hoogstandjes overeind blijven.
Het percentage bankiers dat hun gedeukte imago tracht op te vijzelen, moet niet worden overdreven. Het zouden er nooit genoeg zijn om in Nederland iets overeind te houden dat ook maar lijkt op New York. Dat een zender als HBO bijvoorbeeld geen subsidie nodig heeft om programma’s als The Sopranos te produceren, komt doordat er heel wat meer Amerikanen zijn om een abonnement op deze zender aan te verkopen dan er hier Nederlanders zijn.
Wie echt vindt dat de Nederlandse kunstensector op die in de VS moet gaan lijken, moet eerst voor extra land en bevolking zorgen. Tot het zover is, zal hij moeten erkennen dat steeds naar de VS wijzen wel interessant overkomt, maar nergens op slaat.
Betekent dit dan dat het systeem van overheidssubsidies ideaal is? Natuurlijk niet. Maar ieder cultureel landschap heeft zijn eigen voedingsbodem. Diegenen die ook in Nederland nog eens iets bijzonders op het podium willen zien zonder een halve dag van de provincie naar de Randstad te hoeven reizen om een onbetaalbaar concert bij te wonen, doen er verstandig aan hun energie te steken in het verbeteren van het soms verstikkende subsidie-oerwoud. Want wie met een botte bijl alles wegkapt, blijft achter in een kale woestijn.

Volg Micha