14 november 2010
Even Voorstellen
Mijn naam is drs. Arend Jan Boekestijn en ik ben een fatsoenlijk mens. Dat fatsoen is af te lezen aan de nette pakken die ik draag en de zachte toon van mijn stem. Als fatsoenlijk mens ben ik geïnteresseerd in de geschiedenis. Ik geef dan ook fatsoenlijk onderwijs aan een fatsoenlijke universiteit.
Als fatsoenlijk mens, die lid is van een fatsoenlijke partij, is het mijn voorrecht om overal waar mensen beweren dat mijn partij niet fatsoenlijk is, op tv te verschijnen. Dat doe ik altijd heel fatsoenlijk. Dat wil zeggen met een net pak, en met mijn zachte stem. Als het moet, vertel ik mijn publiek dat ik als drs. heel veel fatsoenlijke boeken heb gelezen.
Ik leg bange Nederlanders dan uit dat fatsoenlijke mensen niets te vrezen hebben van de meneer met de blonde haren. Wel voeg ik daar zo nu en dan aan toe dat sinds de meneer met de blonde haren met mijn fatsoenlijke partij samenwerkt, hij nog fatsoenlijker is geworden. Niet dat hij onfatsoenlijk was. Hij was heel fatsoenlijk, maar de laatste tijd is hij nog fatsoenlijkerererer.
Toen ik nog in de Tweede Kamer zat, noemde ik spleetogen soms spleetogen. Terwijl ze officieel nog steeds Chinezen worden genoemd. Maar omdat ik een fatsoenlijke man ben, begreep iedereen dat dat een fatsoenlijk grapje was. Een fatsoenlijk grapje over de rug van miljoenen spleetogen die onder Mao om het leven kwamen.
Laatst mocht ik op tv in debat met een onfatsoenlijke cultuurfilosoof die even ijdel was als ik, maar het waagde om het woord fascisme te gebruiken om de meneer met de blonde haren in perspectief te plaatsen. Dat vond ik werkelijk onfatsoenlijk. En dat heb ik toen ook op een fatsoenlijke manier duidelijk gemaakt.
De meneer met de blonde haren gebruikt het woord fascisme trouwens ook heel vaak, maar die is net als ik fatsoenlijk, dus dan is het net als bij het gebruik van de term spleetoog, niet erg.
Op mijn allerfatsoenlijkst wierp ik de onfatsoenlijke man tegen dat fascisten nooit opkomen voor Joden, vrouwen en homofielen. Ik gebruikte bewust het woord homofiel. Sommige mensen vinden dat je tegenwoordig homo, of homoseksueel moet zeggen. Maar dat woord krijg ik mijn mond niet uit. Ik ben fatsoenlijk, en de term homo ontkent dat er iets mis is. Het woord homofiel erkent daarentegen dat er iets pathologisch mis is. Wij fatsoenlijke mensen vinden dat problemen bij hun naam moeten worden genoemd. Ook fatsoenlijke mensen kunnen een afwijking hebben. Dat is niet erg, maar het blijft een afwijking. Net als bijvoorbeeld spleetogen.
Overigens weet iedereen die kan lezen dat de man met de blonde haren heel veel geld en steun van vrienden in Amerika krijgt die een uitgesproken hekel hebben aan mensen met homofilie. Maar soms getuigt het van fatsoen om je mond te houden als het te ingewikkeld wordt. Daarom ben ik ook nooit als historicus gepromoveerd.
Zoals ik het ook niet fatsoenlijk vond mijn goede vriend Harry Mens terecht te wijzen toen hij op tv sprak over een Joodse kongsi die in Nederland de lakens uitdeelt. Ik zat tegenover hem toen hij erover begon. Zelf zou ik zoiets niet in het openbaar zeggen omdat ik zo fatsoenlijk ben. Ik heb zelfs een Joodse vriend. Uri heet hij. Uri is ook heel fatsoenlijk. Voor zover Joden fatsoenlijk kunnen zijn natuurlijk. Want zodra ze een kongsi vormen, is de lol er af, daar had Harry gelijk in. Daarom sprak ik hem toen niet tegen.
Een cultuurfilosoof die de man met de blonde haren in de traditie van het fascisme plaatst, moet je tegenspreken, maar een vastgoedman die doorheeft waar Joden toe in staat zijn, die spreek je als fatsoensman niet tegen.
Zo, dan ga ik nu weer fatsoenlijke adviezen geven over hoe de theaterwereld fatsoenlijk kan worden gesaneerd. Wie weet tot ziens in een fatsoenlijk panel, programma of tijdschrift.
Drs. BNr. Arend Jan Boekestijn
Drs. BNer. Arend Jan Boekenstijn.

Volg Micha