17 februari 2019

Column OVT: Den Bosch

Afgelopen week trad ik twee avonden op in de Verkadefabriek in ‘s-Hertogenbosch. Het pand waarin ooit de eerste Bossche Stoom- Koek- Biscuits- Banket- Beschuit- en Suikerwerkenfabriek gevestigd was, werd vijftien jaar geleden, zoals wel meer oude fabrieken in ons land, omgetoverd tot cultureel centrum. Oude industrie maakt plaats voor muziek, film en theater.

Als ik in Den Bosch optreed voel ik steeds vaker de behoefte mensen die ik tegenkom te vertellen dat ik ook uit een Bossche familie kom. Dat mijn opa, Max Cahen, er voor de oorlog een fabriek had die hij weer had overgenomen van zijn vader. Een fabriek voor papieren zakjes. Koffiezakjes voor De Gruyter, maar ook kotszakjes voor de KLM.

Meestal zijn mensen dan verbaasd. Een joodse jongen, die zal toch uit Amsterdam komen, hoor ik ze denken.

Wat ik er niet altijd bij vertel is hoe de fabriek in de oorlog van mijn opa werd afgepakt en door de nieuwe Duitse eigenaar financieel te gronde werd gericht. Tijdens de Bevrijding werd het oude pand ook nog eens gebombardeerd. Mijn opa, die de oorlog op wonderbaarlijke wijze had overleefd, moest vijftien jaar procederen tegen de Nederlandse staat om zijn fabriek weer terug te krijgen en een beetje genoegdoening te  zien voor het onvoorstelbare onrecht dat hem was aangedaan.

Pas in 1960, twaalf jaar voordat ik geboren werd, kon hij dat beschamende hoofdstuk een beetje afsluiten. Zijn broer en zus waren inmiddels naar Israël verhuisd. Die zagen geen toekomst voor hun gezin in een land waar zo met joden werd omgegaan.

Mijn opa bleef in Vught wonen en ligt er op de joodse begraafplaats. Begraven naast zijn vader, in het graf dat eigenlijk voor zijn moeder bestemd was, maar leeg bleef, omdat zijn moeder, mijn overgrootmoeder dus, in Sobibor werd vermoord en verbrand.

Dat van de oorlog vertel ik er dus meestal niet bij.

Wel wijs ik, terwijl mijn regisseur en ik door Den Bosch naar ons restaurant slenteren, nog even de Sjoel aan waar ik als kind een paar keer de naoorlogse leegte gevoeld heb. De synagoge heeft nu, net als de Verkadefabriek, een culturele bestemming gekregen.

“Den Bosch had vroeger een levendige joodse gemeente”, hoor ik mijzelf vertellen. “Met carnaval liepen de joden zelfs mee in de optocht. “

Het is alsof ik mijn moeder hoor praten. En net als mijn moeder zou hebben gedaan, voeg ik er aan toe: “Na de oorlog was dat allemaal weg.”

Gijsbert, mijn regisseur, die opgroeide in de buurt van Zaltbommel, blijkt zich de bladmuziekwinkel van mevrouw Spiero te herinneren. Een van de weinige joodse Bosschenaren die na de oorlog terugkeerde.

Als ik bij opa en oma logeerde gingen we daar weleens op bezoek.

Toen leek de oorlog mij nog heel lang geleden te hebben plaatsgevonden, maar hoe ouder ik word, hoe dichterbij ze komt.

Die avond aten Gijsbert, mijn technicus Bram en ik samen bij Zaher, een Afghaans restaurant waar uitzonderlijk lekker wordt gekookt. Als ik in Den Bosch optreed, eten we altijd bij dit door de tweelingzusjes Nazifa en Nadima Alizadah gerunde etablissement.

En terwijl ik hun zelfgemaakte moerbeienijs proef, besef ik dat Den Bosch door de ene oorlog onherstelbaar beschadigd werd, en door een heel andere oorlog, hier ver vandaan, juist van nieuw, vers en vitaal bloed werd voorzien.


Delen
Volg Micha ook op   facebook twitter