24 november 2019

Column OVT: Educatie en Inclusie in het Stedelijk

Mijn liefde voor schilderkunst begon bij Marc Chagall. Of eigenlijk bij een kinderboek over Marc Chagall dat ik van mijn Oom Wolter en Tante Marjo uit Haarlem kreeg. Een prentenboek uit de serie ‘Kunst Voor Jou’, dat in 1979 in samenwerking met de educatieve dienst van het Rijksmuseum in Amsterdam werd uitgegeven.

Het boek introduceerde mij in de wonderlijke, vrolijke, poëtische, melancholische en vooral kleurrijke wereld van Marc Chagall.

Over het schilderij Midzomernachtsdroom, waarop we een verliefde ezel een vrouw zien omhelzen terwijl een groene clown en een duivels rode engel toekijken, stond er: misschien wil Chagall met dit schilderij wel zeggen dat iemand die verliefd is, een ezel, een engel en een clown tegelijk is.

Wat mij toen al opviel aan het schilderij is dat zowel de ezel als de vrouw een beetje droevig keek. Liefde, zo begreep ik, is niet alleen maar leuk.
Wat me met terugwerkende kracht erg bevalt aan de tekst is dat er “Misschien” voor staat. Want dat is natuurlijk het leuke van kunst, je mag als kijker zelf beslissen wat je ziet. En daarmee is kunst toegankelijk voor iedereen die toegang wil.

Over het schilderij De Dichter las ik dat het een gedicht is, dat niet met woorden maar met verf geschreven werd.

 

“Kunstenaars oefenen zich vaak in dagdromen,” staat er in het boek, dat mij nog steeds even dierbaar is als de schilderijen waar het mij mee in contract bracht. “Het hoort bij hun vak om ons te laten zien wat er uit die dagdromen tevoorschijn komt.” Kunst, met andere woorden, gaat over een andere wereld dan de wereld waarin wij ons begeven. We kijken er weliswaar vanuit onze wereld naar, maar we kunnen even zien wat er nog meer mogelijk is.

Veertig jaar na het verschijnen van het prentenboek waar ik als kind zoveel plezier aan beleefd heb, zijn in het Stedelijk Museum Amsterdam nu 38 schilderijen van Chagall te zien. Ze maken deel uit van de tentoonstelling ‘Chagall, Picasso Mondriaan en andere migranten in Parijs’.

Toen ik de tentoonstelling eerder deze maand bezocht werd ik, zoals dat gaat bij het weerzien van een oude liefde, vervuld van melancholie en nostalgie. Emoties waar Chagall zelf ook niet vies van was.

Er is mij vaak verteld dat het werk van Chagall kitsch is, maar dat is onzin.

Hij komt er soms in de buurt, maar wie zich richt op grote thema’s als liefde en heimwee moet een risico nemen. Zijn kleurgebruik, durf en humor laten Chagall wat mij betreft ver boven alle clichés uitstijgen.

Wat mij opviel was dat het in de teksten bij de tentoonstelling bijna niet over de kleur, het plezier en de poëzie van Chagall ging. De makers van de tentoonstelling vertelden via de bordjes vooral over het migrantenbestaan. Over hoe Chagall in Parijs te maken kreeg met antisemitisme. Wat waar is, maar in Rusland, waar hij vandaan kwam, was dat niet anders.

Aan het einde van de tentoonstelling is een zaaltje dat helemaal gaat over het migrantenbestaan. Er hangen foto’s van Zinédine Zidane en andere immigranten die Parijs kleur hebben gegeven.

De tentoonstelling opent met een overzicht van de namen die de getoonde kunstenaars van zichzelf hadden, en de namen die ze in Parijs namen.

Movsja Zacharovitsj Sjagal veranderde zijn naam en de spelling in Marc Chagall.

Bij een zelfportret, waarop hij zich vrolijk uitgedost heeft, terwijl we op de achtergrond de Eiffeltoren zien, staat dat dit schilderij laat zien hoe ongemakkelijk Chagall zich voelde als immigrant in Parijs.

Misschien, dacht ik

Het klopt dat Chagall in zijn werk zijn verleden opnieuw vorm gaf, maar zelf heb ik de indruk dat zijn werk er vooral over ging dat hij, zoals veel modernisten, zichzelf en zijn geschiedenis opnieuw wilde uitvinden.

Dat beeld werd voor mij ook bevestigd toen ik vorig jaar, in het Centre Pompidou in Parijs, een tentoonstelling bezocht die ging over de roerige jaren na de Russische revolutie waarin Chagall terug naar Rusland trok om daar, met onder anderen Lissitzky en Malevitch, de revolutie van een nieuwe beeldtaal te voorzien. Een spectaculair project dat jammerlijk mislukte omdat de arbeiders en bureaucraten weinig op bleken te hebben met de nieuwe esthetiek die de avant-gardisten voor hen in petto hadden.

Die poging de wereld en zichzelf te vernieuwen, ongeacht waar je vandaan komt, is volgens mij waar het Chagall om ging.

Het is juist die actieve, humoristische instelling die voorkomt dat nostalgie tot kitsch verwordt.

In het Stedelijk bekroop mij het gevoel dat de tentoonstelling, in een poging recht te doen aan Chagalls afkomst, hem reduceert tot iets dat hij met zijn kunst juist probeerde te overstijgen.

In mijn prentenboek van veertig jaar geleden wordt de geschiedenis van Chagall niet gemeden, maar de nadruk ligt op de virtuoze droomwereld die hij bouwde. Waarin iedere toeschouwer, ongeacht diens achtergrond, welkom is.

Deze week plaatste het Stedelijk Museum een advertentie waarin ze op zoek zijn naar een nieuw hoofd voor de afdeling Educatie en Inclusie.

Twee lovenswaardige doelen.

Toch bekruipt mij soms de angst dat de kunstwereld in haar streven niemand buiten te sluiten, vergeten is dat kunstwerken nu juist per definitie inclusief zijn.

In zijn roman De ondragelijk lichtheid van het bestaan, wijst Milan Kundera er op dat wie kunst probeert in te zetten als politiek middel, kunst laat verworden tot Kitsch.

Kunstenaars zoals Chagall verschaffen ons toegang tot hun eigen droomwereld. Wat we daar aanschouwen mag ieder voor zichzelf uitzoeken.

Het enige dat een Educatieve dienst hoeft te doen, is ons tonen hoe mooi, bevrijdend en inspirerend dat kan zijn.

 

 


Delen
Volg Micha ook op   facebook twitter