09 juli 2020

De gebroken denker

Broken Thinker is een onderzoeksproject van Arnoud Holleman en Gert Jan Kocken. Beginpunt is het vernielde beeld: De Denker van Auguste Rodin uit museum Singer Laren. Het beeld bij dit verhaal is een foto van De Denker zoals die werd aangetroffen kort nadat dieven geprobeerd hadden het beeld in stukken te zaken om het vervolgens om te smelten en zo brons te kunnen verkopen. Die foto gemaakt in 2007, kreeg ik met de vraag van Holleman en Kocken om daar wat over op te schrijven. De foto zelf, en erdere interpretaties van anderen zijn terug te lezen op brokenthinker.nl

 

Terug luisteren kan hier

Dit verhaal staat ook in de De Gids

‘Het probleem,’ zegt Bram, ‘is dat we een emotionele relatie hebben tot het menselijk lichaam. We kijken naar de ogen, de mond en de neus en maken die veel te belangrijk.’ Daarom wil hij dat wij, zijn tekenleerlingen, juist de tussenvormen zoeken en die natekenen. ‘Als je die abstracte vormen in de juiste verhouding tot elkaar plaatst, komen de ogen, de neus en de mond als vanzelf tevoorschijn.’

‘Kijk,’ zei mijn vader, ‘zie je de voeten? Die lijken eigenlijk helemaal niet op echte voeten. En toch lijken ze op echte voeten. Juist omdat het niet echt lijkt, lijkt het zo echt.’ We stonden samen voor De Hellepoort, mijn vader en ik, meer dan honderd jaar nadat Rodin de opdracht had gekregen tot het maken van dit tableau, waarvan ook De Denker deel uitmaakt. Opa hield heel erg van Rodin, vertelde papa, maar opa kon alleen precies namaken wat hij zag. Dat was natuurlijk heel knap, maar daarom was hij volgens zijn zoon, mijn vader, nooit een groot kunstenaar geworden. Hij kon de werkelijkheid geen geweld aandoen. En dat moet je als kunstenaar wel durven.

Toen ik geboren werd, kon opa Jobs door een beroerte nog maar moeilijk praten. Hij kon nog wel praten, maar de juiste woorden waren weggeslagen. Als kleuter had ik daar weinig last van. Logerend in het grote huis in Laren begreep ik ook zonder woorden wel dat opa voor ons een stukje gekonfijt fruit tevoorschijn haalde. Ik herinner mij vooral hoe hij bewoog. Schuivend, zonder zijn voeten echt op te tillen. Van de woonkamer, waar het gekonfijte fruit in een grote kast werd bewaard, via de keuken naar zijn atelier. Daar rook het naar klei en gips. De klei kwam uit een grote emmer die naast het beeld stond waaraan opa werkte, de gipslucht kwam van de tientallen koppen die op planken langs de muren stonden uitgestald. Gipsen koppen die, toen opa overleden was, allemaal kapotgeslagen zouden worden. ‘Zo gaat dat als een beeldhouwer sterft,’ zei mijn moeder.

Nel was een vriendin van mijn moeder. Ze hadden elkaar ontmoet bij Centrum 45, waar ze allebei met oorlogsslachtoffers werkten. Mijn moeder als expressief therapeut, Nel als gesprekstherapeut. Kort na de oorlog had Nel model gestaan voor opa Jobs – die toen natuurlijk nog lang geen opa was. Toen Nel had gezien dat er iemand met de naam Wertheim bij Centrum 45 kwam werken, had ze gevraagd of zij misschien familie van de beeldhouwer was. Zo was de vriendschap begonnen.

Toen Rodins De Denker in 1906 voor het Pantheon werd tentoongesteld, was opa Jobs acht jaar oud. Het lag het in de lijn der verwachting dat hij later net als zijn vader bankier zou worden. Tien jaar later bleek dat hij niet gelukkig werd van de zakenwereld en vroeg hij zijn vader of hij naar de kunstacademie mocht. Zijn vader nodigde een bevriend kunsthistoricus uit om te beoordelen of zijn zoon talent had. Jobs maakte een buste van de man, die zo goed leek dat werd besloten hem een toekomst als kunstenaar te gunnen.

Mijn opa is twee keer getrouwd geweest. Eerst met oma Eva, een Duitse vluchteling met wie hij kort voor de oorlog trouwde en van wie hij niet lang na de oorlog weer scheidde. Oma Eva was door de oorlog zo beschadigd geraakt dat ze tot groot verdriet van de familie lezingen was gaan geven waarin ze haar oorlogsgeschiedenis met eigen verzinsels anders maakte dan die was. Zo vertelde ze dat haar vader, die kort na de onderduik op natuurlijk wijze was gestorven, in de oorlog zou zijn vermoord. Blijkbaar dacht ze dat haar eigen verschrikkelijke verhaal niet genoeg overbracht wat ze had meegemaakt. Oma Eva nam haar eigen leven een paar jaar voor ik werd geboren.

Opa hertrouwde met oma Debbie. Een klassiek geschoolde aquarellist. Ze sprak vaak tegen ons over het verschil tussen amateurs en echte kunstenaars, die zoals zijzelf de academie gedaan hadden. Als we op bezoek kwamen was ze altijd bezig bloemen in een glazen vaas te schilderen. Dat kon ze ongelooflijk knap.

Van oma Debbie leerde ik dat je door zwart met geel te mengen olijfgroen krijgt. En dat je geen wit mag gebruiken als je met waterverf werkt. Als ik het goed heb, heeft oma Debbie tijdens haar leven nooit een schilderij verkocht.

Toen ze stierf, liet ze honderden stillevens en evenzoveel glazen vazen na. Na het overlijden van opa was ze zijn atelier gaan schilderen. Uit die serie heb ik een werk geërfd dat bij ons op de gang hangt. Zo zijn mijn herinneringen aan opa’s atelier letterlijk door oma Debbie ingekleurd.

Soms mochten we een dagje mee naar mama’s werk. Het atelier waar ze met haar cliënten werkte, rook anders dan het atelier van opa Jobs. Meer naar verf en minder naar gips. Aan de muur hingen tekeningen van jappenkampen. Eén tekening was na voltooiing weer helemaal doorgekrast. Iemand anders had het kamp in klei nagemaakt. Allemaal kleine poppetjes op een binnenplaats.

In Maarn, waar we in die tijd woonden, had mijn vader een tekenclub opgericht. Op een dag, toen ik niet kon slapen, liep ik in mijn pyjama de trap af en zag ik dat de hele woonkamer vol zat met mensen die met houtskool op hun schetsblok krasten. Midden in de kamer stond een onbesneden man in zijn blootje.

Tijdens het douchen na de gymles had ik dat ook wel gezien, blote piemels, maar een volwassen piemel met de voorhuid er nog aan, dat was een zeldzaamheid. Misschien, dacht ik, hadden dat soort piemels iets te maken met de tekenclub.

Het besluit om zelf weer te gaan tekenen nam ik toen het niet goed ging. Het gaat natuurlijk nooit goed, maar opeens kon ik daar heel slecht tegen. Sommige mensen waren woedend over een theatervoorstelling waarbij ik zelf afwezig was. Met die woede, waar ik normaal gesproken mijn schouders voor zou hebben opgehaald, wist ik me opeens geen raad. Hun woede sloot mij net te goed aan bij de razernij die in dezelfde periode tot de verkiezing van Donald Trump had geleid. Bovendien ging het niet goed met mijn vader. Hij zei steeds minder, en als hij sprak was zijn stem hees. Hij begon te sloffen, net als opa.

Hij was inmiddels ook opa.

‘Misschien moet je iets naast je werk gaan doen waar je plezier uit haalt,’ had Gerty gezegd. Mijn huisarts had mij naar Gerty verwezen: een elegante oudere dame die me thuis ontving. Net als Nel droeg ze haar haar in een knotje. ‘Wat vind je leuk om te doen?’ vroeg Gerty.

Uit de biografie van opa Jobs, die een paar jaar geleden is verschenen, heb ik geleerd dat opa, toen hij voor de oorlog in Parijs studeerde, de opdracht kreeg modellen te tekenen zonder te kijken. Hij mocht wel kijken, maar moest met zijn rug naar het model gekeerd tekenen. Als hij het model wilde zien, moest hij zich omdraaien.

Zo werd hij gedwongen te kiezen waar hij naar keek: de tekening of het model.

Er werd bij Centrum 45 ook bewegingstherapie gegeven. Als we waren uitgespeeld in mama’s atelier, mochten mijn broer en ik spelen in het gymzaaltje waar die therapie werd gegeven. Er lag een voetbal die zo zwaar was dat je er eigenlijk niet mee kon spelen. Mama en Nel zaten dan in vergadering.

Na de oorlog kwam de beeldhouwcarrière van mijn opa op een zijspoor. Realisme was uit de mode geraakt. Toen zijn vriend Willem Sandberg in het Stedelijk Museum in Amsterdam een tentoonstelling organiseerde van leden uit het kunstenaarsverzet, waar Jobs toch echt deel van had uitgemaakt, werd hij niet uitgenodigd.

Wel kreeg opa kort na zijn terugkeer uit Zwitserland, waar hij met zijn gezin na een verblijf in Theresienstadt terecht was gekomen, de opdracht om een monument te ontwerpen waarmee de joden de Nederlanders zouden bedanken voor de steun die ze tijdens de oorlog hadden ontvingen. Dat monument der joodse erkentelijkheid werd onder druk van de Nederlands regering door de gedecimeerde joodse gemeenschap zelf bekostigd. Mijn vader vertelde ons altijd dat toen het monument af was en de opdrachtgevers kwamen kijken, ze ontdekten dat de mannelijke figuur in het monument onbesneden was. Opa heeft toen alsnog de voorhuid verwijderd.

Tijdens de oorlog bedacht opa een manier waarop kunst die in het museum hangt onder de aandacht zou kunnen worden gebracht van een groter publiek. In 1956 richt hij Stichting Openbaar Kunstbezit op. Abonnees kregen kleurenreproducties thuisgestuurd waar ze naar konden kijken terwijl een expert via de radio het kunstwerk toelichtte. Na afloop konden de reproducties met bijbehorende tekst worden bewaard in grote blauwe multomappen.

Het Museum Beelden aan Zee vond dat het werk van opa Jobs een eigen tentoonstelling verdiende. In 2015 was het zover. Op een zwartwittelevisie in die tentoonstellingsruimte kwam opa Jobs in beeld. Veel jonger dan zijn zoon inmiddels, en niet veel ouder dan ikzelf. Gezeten voor een doek waarop een atelier was nageschilderd, vertelde hij in een uitzending van Openbaar Kunstbezit enthousiast hoe bijzonder het is dat een beeld niet hoeft te lijken om toch te lijken.

Toen ik voor een schoolopdracht drie dagen in Amsterdam moest zijn, mocht ik bij Nel logeren. Aan de muur hing een tekening die opa indertijd van haar had gemaakt. Ze vertelde dat als ze model stond, opa openhartig vertelde over de oorlog, het kamp, de kinderen en alles wat ze in die tijd hadden meegemaakt. ‘Hij was een heel vriendelijke en hoffelijke man,’ verzekerde ze mij. Het was een klein tekeningetje, maar het was wel duidelijk dat Nel ook als jonge vrouw een haast perfecte schoonheid was geweest.

Zo makkelijk is dat van die tussenvormen niet. Tijdens de les loopt Bram achter ons langs, kijkt over onze schouder naar het model en dan naar onze tekening. ‘Kijk nou eens naar de afstand tussen de ooghoek en de haargrens en verbind die dan met de mondhoek’, zegt hij tegen een cursist naast mij. Tegen mij zegt hij: ‘Kijk, ze valt om. Je moet altijd kijken naar de balans. Wat is het standbeen? Als je dat niet goed hebt, gaat alles mis. Daarom is modeltekenen zo’n belangrijke oefening. Bij een stilleven kun je nog een beetje schuiven, bij een boom kun je een paar takken weglaten, maar bij een mens kan iedereen het meteen zien als er iets niet klopt.’

Nel had veel ingewikkelde mannen gehad, vertelde mama, die mij veel vertelde als we samen in de keuken zaten. Ook een man die eigenlijk een cliënt van haar was geweest. Die hulp nodig had gehad, omdat hij met een mes het Stedelijk in was gelopen om daar op abstracte schilderijen in te snijden. Ik mocht dat aan niemand vertellen. Het was een heel charmante man geweest, en Nel was voor die charmes gevallen. Zoals ze nu opnieuw een man had gekozen bij wie mama haar bedenkingen had.

Ik vermoed dat ik De Denker voor het eerst gezien heb in 1978, toen mijn opa postuum een tentoonstelling had in het Singer Museum in Laren. We mochten binnen niet rennen. Gelukkig had het Singer ook een tuin.

Mijn vader kan in een paar lijnen een model gelijkend op het papier krijgen. Hoe langer ik zelf teken, hoe knapper ik dat vind. Toch besloot hij geen kunstenaar te worden. Toen ik hem daar ooit naar vroeg, zei hij dat hij de kracht niet had om elke dag diep in zichzelf te zoeken. En dat was, zo verzekerde hij mij, wat een kunstenaar bereid moet zijn te doen. Anders heeft het geen zin.

Mijn vader koos voor de wetenschap. Als visueel zintuigfysioloog specialiseerde hij zich in bewegingsperceptie. Op zijn werkkamer hingen behalve een paar schetsen die hij zelf had gemaakt en ingelijst ook allemaal illusies. Plaatjes gemaakt om aan te tonen hoe gemakkelijk onze hersens zich laten misleiden. Streepjes die een verschillende lengte lijken te hebben maar toch even lang zijn. Patronen die lijken te bewegen als je er wat langer naar kijkt en tekeningen die tegelijk twee voorstellingen afbeelden. ‘Of je ziet een naakte mevrouw, of je ziet Sigmund Freud,’ zei mijn vader als we er samen naar keken. ‘Onze hersens kunnen maar een afbeelding tegelijk zien. Als je de naakte vrouw ziet, kun je Freud niet zien. Als je Freud ziet, verdwijnt de naakte vrouw.’

Als de rest van de klas taal had, werd ik uit de klas gehaald voor bijles. In het kantoor dat eigenlijk voor het hoofd van de school was, mocht ik dan met de remedial teacher allemaal spelletjes en oefeningen doen. Ik moest met twee handen tegelijk twee doolhoven tekenen, ik moest op één been staan terwijl ik alle cijfers van nul tot tien opschreef, maar ik moest vooral ook heel veel ezelsbruggetjes uit mijn hoofd leren, in de hoop dat ik daardoor beter zou leren schrijven en lezen. Als ik terugkwam in de klas hadden de andere kinderen nog meer geleerd over taal en spelling en was mijn achterstand alleen maar groter geworden. Ik heb taal dan ook nooit als een leuk materiaal beschouwd waar je mee kunt spelen. Voor mij is het altijd een obstakel geweest dat in de weg zit.

Aan het einde van de les worden alle ezels met daarop onze tekeningen naast elkaar gezet. Zo uitgestald op een rij is het net alsof het model zich voor elke tekening net ietsje meer heeft omgedraaid. Wat natuurlijk komt omdat wij in een halve kring om het model heen stonden. Iedereen keek en tekende net vanuit een andere hoek. Het perspectief draait op elke tekening mee.

Samen met Bram bekijken we het resultaat. Een arm is te kort, voeten blijken altijd net als handen het moeilijkste te zijn. ‘Probeer alleen te tekenen wat je ziet,’ blijft Bram herhalen.

Michelangelo zou ooit hebben verklaard dat een beeld al compleet in het marmer verborgen zat voordat hij aan zijn werk begon. ‘Het is er al,’ zei hij, ‘ik hoef alleen het overtollige materiaal maar weg te halen.’ Herinneren is meer zoals boetseren. Ons geheugen is zo onmetelijk groot en rijk, dat het vormeloos is. Je trekt er wat uit en blijft trekken tot het lijkt op iets wat je herkent. Maar als je de geschiedenis echt recht zou willen doen, zou die alle ruimte innemen en ons al het zicht ontnemen. Wat we ons herinneren kan nooit recht doen aan wat er allemaal in ons geheugen zit opgeslagen. Hoe minder het lijkt, hoe meer we erin herkennen – tot het nergens meer op lijkt en we er niets meer in herkennen.

Als een van ons tijdens de nabespreking van de les opmerkt dat een heel dikke lijn in de verder juist heel voorzichtig opgezette schets van Martin heel mooi heeft uitgepakt, blijft Bram lang stil. ‘Dat klopt wel,’ zegt hij dan, ‘maar,’ voegt hij daar na een korte aarzeling aan toe: ‘schoonheid is eigenlijk altijd bijvangst.’


Delen
Volg Micha ook op   facebook twitter