05 oktober 2020

Theater en moraal (Trouw)

Een iets ingekorte versie van dit stuk stond zonder spelfouten op 3 oktober Trouw al reactie op dit stuk van Ivo Nieuwenhuis (na publicatie voelde ik de behoefte om aan de laatste alinea’s (ze sterretjes*) iets heel belangrijks toe te voegen. Gelukkig mocht dat van het internet)

Toen ik anderhalf jaar geleden de recensie onder ogen kreeg die Ivo Nieuwenhuis schreef over Theo Maassens voorstelling ‘Situatie gewijzigd’, maakte zich een licht triomfantelijk gevoel van mij meester. Een van de meest gevierde komieken van ons land kreeg 2 sterren van de recensent die mijn voorstelling twee maanden eerder 5 sterren had toegekend.

Mijn heimelijke genoegen over het feit dat ik, en niet de in het verleden zo veel geprezen en bekroonde Theo Maassen nu ééns boven op de apenrots van het cabaret werd gezet maakte plaats voor groot ongemak toen ik de voorstelling van Maassen een half jaar later met eigen ogen zag. Geen ongemak over de grappen die zoals altijd bij Maassen van een zeldzaam hoog niveau waren, maar ongemak over het feit dat de recensent niet gezien had wat ik zag: een cabaretier op de toppen van zijn kunnen die in een prachtig decor een even hilarische als pijnlijke monoloog afstak.

Gezeten op een gestileerde apenrots opent en sluit de voorstelling met Maassen die zichzelf als een gorilla op de blote borst klopt. (Voor ik word beticht van speciesisme: gorilla’s zijn hoogst intelligente en sociale dieren die veel meer kunnen dan conformeren aan een achterhaald stereotype. ) Die opening en afsluiting waren voor mij de aanhalingstekens waar alles wat de rest van de avond gezegd werd, tussen geplaatst kon worden.

Alsof die bijsluiter nog niet genoeg was had Maassen zichzelf ook nog in een rood overall gehesen. Daarin deed hij deed denken aan een krijgsgevangene. Een opgejaagde man, die gevangenzit in zijn eigen gelijk.

Aanhalingstekens die wat mij betreft niet eens nodig waren geweest omdat Maassen zijn voorstelling in een theater speelde. Niet in de Tweede Kamer en niet tijdens een manifestatie voor gemarginaliseerde witte heteroseksuele mannen van middelbare leeftijd die protesteren tegen het matriarchaat.

Het is waar dat theaters gedwongen door bezuinigingen steeds vaker lezingen programmeren. Ook is het zo dat steeds meer cabaretiers het zichzelf makkelijk maken door lezingen te geven over hoe gelukkig te worden, of waarom we de overheid en de wetenschap niet mogen vertrouwen als het om de aanslagen van 11 september gaat. Maar Maassen had er echt alles aan gedaan om duidelijk te maken dat we hier niet van doen hadden met een politiek betoog of een maatschappelijk college.

Maassen is een kunstenaar die zichzelf als hij in vorm is, zo radicaal mogelijk bevraagt. Zonder zich zorgen te maken over de wenselijkheid van wat die vragen naar boven brengen. Dat is een riskante bezigheid. Je laat alle teugels los om te kijken waar je verbeelding mee op de proppen komt.

Schrijvers vertellen vaak hoe een boek zich vanzelf schrijft. Dat ze alleen maar hoeven luisteren naar wat de personages willen zeggen. Iets soortgelijks geld bij het maken van een voorstelling. Toen ik net begon als comedian, en vast zat bij het maken, stuurde Theo Maassen mij een citaat van filmmaker Charlie Kaufmann. Ik kan de precieze formulering niet vinden maar het kwam erop neer dat je bij het maken moet proberen zo ver mogelijk weg te zwemmen, tot de kust uit het zicht is verdwenen en je geen rond meer onder je voeten voelt. Pas dan, als je ieder gevoel voor richting verloren hebt, ben je vrij en zal je ontdekken waar de stroming je heen voert.

Deze manier van maken contrasteert met de wijze waarop veel gesubsidieerde makers tewerk gaan. Die worden immers al bij het aanvragen van de subsidie gedwongen onder woorden brengen wat ze van plan zijn te maken.

Ik heb veel schitterende gesubsidieerde voorstellingen gezien. Maar het voorrecht van ongesubsidieerd theater is dat de maker vrijer is om zich te laten verrassen door zijn eigen verbeelding.

Dat klinkt misschien wat esoterisch maar toch werkt het zo. Vaak begin ik bij het maken met een aantal grappen die mij zomaar te binnen schieten. Die grappen probeer ik aan elkaar te praten en al doende groeit er een voorstelling.

Persoonlijk ben ik heel blij dat er kunstenaars zijn die dat nog doen en durven. Ze geven mij de kans te reflecteren op de contradicties van wat ook wel de menselijke conditie wordt genoemd. Namelijk ons onvermogen om wie we zijn te laten aansluiten bij wat er van ons verwacht wordt.

De Israëlische schrijver Etgar Keret vergeleek zijn vak daarom ooit met dat van een huurmoordenaar. Als die morele beslissingen gaat nemen kan hij net zo goed helemaal stoppen.

Wat de vergelijking sterk maakt is dat Keret erkent dat er een gevaarlijk en ongemakkelijk randje zit aan kunst. Een randje waar we ons aan kunnen snijden. Dat pijn doet als we het aanraken. Maar als we die pijn en dat ongemak niet willen, als we de kunstenaar vragen dat wat we ongepast vinden te vermijden, ontnemen we de maker en onszelf de kans om kennis te maken en vrede te sluiten met onze donkere kant.

Je hoort tegenwoordig vaak dat kunst inclusief moet zijn. Dat is een pijnlijk misverstand. Kunst is bij uitstek exclusief. Kunst is, op therapie na misschien, de enige omgeving waarin we helemaal particulier en eerlijk kunnen zijn. Waar we ons met onszelf bezighouden zonder ons zorgen te maken over wat anderen daarvan vinden of denken. Natuurlijk wil ik een kunstenlandschap waar voor iedereen plekjes zijn die aansluiten bij wie ze zijn. Maar om te slagen zal kunst altijd particulier moeten zijn.

Het is waar dat cabaret ook een sociaal aspect heeft. Maar mensen in een theaterzaal beleven de voorstelling ieder op hun individuele manier. Het sociale aspect zit hem erin dat ze zich gesterkt weten door de gedachte dat ze niet alleen zijn in hun eenzaamheid. Ook de cabaretier en de mensen in zaal staan er alleen voor.

Humor is bij uitstek geschikt om de spanning tussen wie we zijn en wie we zouden willen zijn, bespreekbaar te maken. De cabaretier geeft vorm aan dat wat in ons allen verborgen zit en waar we de vinger niet op kunnen leggen. De lach komt voor het morele oordeel uit. Hij confronteert ons daarmee op een bevrijdende manier met onze innerlijke tegenstellingen. En ja, ook seksisme en xenofobie zijn onderdeel van wie we zijn.

Gelukkig is Keret geen moordenaar geworden maar schrijver. Zoals Maassen cabaretier is geworden en geen politicus. Toch lijken Nieuwenhuis en met hem steeds meer mensen, het onderscheid tussen politiek en theater niet langer te accepteren. De gedachte dat kunst amoreel zou zijn wordt verworpen.

Zo wijst Nieuwenhuis erop dat Maassen er een goede boterham mee verdient. Dat lijkt een detail. Maar het verraadt de gedachte dat kunst hetzelfde is als amusement. Een economische transactie. Dat zal vast zo zijn, maar het gaat volledig voorbij aan de werkelijke waarde van kunst. Een woord overigens, kunst, dat Nieuwenhuis opmerkelijk genoeg niet gebruikt.

Het zou even absurd zijn om Nieuwenhuis te beoordelen op het feit dat hij betaald krijgt voor zijn schrijven. Als dat een argument was, zou je hem kunnen verwijten dat hij als witte man de positie die hij heeft beter kan afstaan aan iemand wiens stem we minder vaak horen en die wellicht beter begrijpt wat de consequenties van seksisme en racisme zijn.

poreus

Begrijp mij goed, ik geloof daar niet in. Liever beoordeel ik hem op de inhoud van zijn argumenten. Maar het is die manier van denken die met een terloopse opmerking over een goed belegde boterham, door de argumentatie van Nieuwenhuis heen schijnt.

Wat niet wegneemt dat de grens tussen satire en politiek de afgelopen jaren steeds poreuzer is geworden. Niet alleen spreken steeds meer theatermakers zich in hun voorstelling expliciet politiek uit, ook populisten gebruiken ironie en satire om op sociale media via een omweg racistische en antisemitische ideologieën te steunen. Wie hen daarop aanspreekt krijgt inderdaad het verwijt geen gevoel voor humor te hebben of tegen de vrijheid van meningsuiting te zijn.

Nog onduidelijker wordt het bij een programma als ‘Veronica Inside’ waar voortdurend in het midden hangt of het de heren er nu om gaat grappig te zijn, of dat ze daadwerkelijk politiek bedrijven. Al is er best wat voor te zeggen dat ook hun ‘kantinegesprek’ begrepen moet worden binnen hun eigen context.

“Wat ze feitelijk opeisen, is het recht om niet tegengesproken te worden”, schrijft Nieuwenhuis over de mensen die het vrije woord opvoeren om zichzelf te verdedigen. Dat zal voor veel mensen gelden, maar het is een verkeerde karakterisering van wat een kunstenaar beoogt te doen. Maassen was juist de hele avond bezig zichzelf tegen te spreken. Zoekende naar de gaten in zijn en onze eigen denkpatronen. ‘Situatie Gewijzigd’ was geen uitroepteken maar een vraagteken.

Toen Tipper Gore, de voormalige echtgenote van Al, in 1984 met haar dochter naar de plaat ‘Purple Rain’ luisterde, schrok ze zo van de expliciete manier waarop over masturbatie werd gezongen, dat ze de Parents Music Resource Center oprichtte. Zo hoopte ze door ouders te informeren iets te doen aan de toename van verkrachting en zelfdoding onder jongeren. Ze wilde niets verbieden. Alleen een discussie op gang brengen.

Het was alleen geen discussie. Voor een discussie is welwillende inleving nodig in wat de motieven van de ander zijn. Als Thierry Baudet zogenoemde memes gebruikt om onder het mom van een grapje zijn extreem-rechtse achterban te bedienen, misbruikt hij die welwillendheid.

Dat verwijt kun je iemand die letterlijk het theater als podium kiest moeilijk maken. Verkleed als aap en verkleed als gevangene (van zijn eigen gelijk) opent Maassen de sluizen van zijn eigen onredelijkheid, twijfel en woede. Zodat wij wat lucht krijgen en en passant ons eigen morele kompas kunnen bijstellen.

Het is mogelijk dat sommige mensen na het beluisteren van Prince aandrang krijgen om iemand te verkrachten, maar het zou mij zeer verbazen als dat de intentie van Prince was.

Dat Nieuwenhuis tegen racisme en seksisme is, valt te prijzen. Of Theo Maassen voor racisme en seksisme is zou iemand hem eens moeten vragen. Met zijn voorstelling heeft het weinig van doen. Ik verbeeld mij zelfs dat een voorstelling vol ongemakkelijke grappen en redenaties mij juist helpt om als ik weer buiten sta, een zo fatsoenlijk mogelijk leven te leiden.

ongemakkelijke momenten

Wat niet wegneemt dat ook ik vaak op de proef word gesteld. In de vorige voorstelling van Maassen zaten een paar grappen waar ik niet om kon lachen. De mensen om mij heen deden dat wel. Dat gebeurt mij wel vaker als ik in het theater zit. Het zijn bijzonder ongemakkelijke en eenzame momenten. Maar ook de momenten waarop ik mijzelf toe moet spreken. Mijzelf moet dwingen welwillend te zijn en te accepteren dat ik niet met iedereen in een gevulde zaal op dezelfde golflengte kan zitten. Sterker nog, de meeste theatervoorstellingen vind ik niet om aan te zien. Maar ik troost mij met de gedachte dat andere mensen weer geen enkele aansluiting voelen bij wat mij raakt. Dat is heel jammer, maar het zou pas echt eng zijn als iedereen het steeds maar eens was.

De verontwaardiging over de voorstelling van Maassen doet mij dan ook denken aan een stripje van Fokke en Sukke die woedend weglopen nadat hun psycholoog ze een rorschachvlek heeft laten zien: ‘Bah viespeuk!’ roept de eend, ‘met z’n gore plaatjes!!!’ voegt zijn vriend de kanarie eraan toe.

Betekent dit dat Maassen dan helemaal geen verantwoordelijkheid heeft? Natuurlijk niet. Zijn verantwoordelijkheid is om een coherente voorstelling te maken, die grappig is, waarin nagedacht is over de vorm, die oprecht is en zo meedogenloos mogelijk. Aan al die voorwaarden voldeed hij in ‘Situatie gewijzigd’.

Dat brengt mij bij de verantwoordelijkheid van de criticus. Die bewijst de kunsten geen dienst door mee te doen aan het afbreken van de context waarbinnen kunst op een ongevaarlijke manier gevaarlijk kan zijn. Dat is niet alleen zinloos maar ook zonde. Zeker nu die context zwaar onder druk staat.

Kunstkritiek kan heel waardevol zijn. Een recensent kan aangeven voor wie een voorstelling de moeite waard zou kunnen zijn en waarom. In plaats van een discussie op gang te brengen over wat er niet in het theater zou moeten gebeuren, en wie er een stapje terug moeten zetten, kan een criticus de lezer ook wijzen op dat wat ten onrechte over het hoofd gezien wordt. Zo kan een criticus die diversiteit van belang acht, ons aan de hand nemen en introduceren bij een werk dat een breder publiek verdient. Door voorstellingen van context te voorzien kan de lezer zo kennis nemen van nieuwe werelden.*  Het lovende stuk dat Nieuwenhuis terecht over mijn laatste voorstelling schreef was daar volgens mij een prima voorbeeld van.

Nog leuker wordt het als de criticus zelf aan het interpreteren gaat. Dat is het moment waarop de criticus een voorstelling kan voeden met betekenis. Door er inhoud aan toe te voegen waar de maker zichzelf vaak niet ééns van bewust hoeft te zijn geweest. Wat vertelt een voorstelling ons over wie we zijn, over de tijd waar in we leven. Wat kan de stijl ons vertellen over de inhoud, wat komen we te weten over de wereld waar we in leven, en hoe we daar mee om kunnen gaan?* Dat zijn de meest inspirerende stukken om te lezen. Al was het maar omdat ze de criticus dwingen om net als de maker bij zichzelf te rade te gaan zodat wij daar ons voordeel mee kunnen doen.

*deze functie van de criticus die diversiteit bevordert door onbekende werken onder de aandacht te brengen bij een breed publiek stond helaas niet in Trouw omdat ik er pas later aan dacht het toe te voegen.


Delen
Volg Micha ook op   facebook twitter