08 juni 2024
Parool: portret van de portrettist
Beeld Jonathan Herman
De Portretbiënnale, dit weekend te bezoeken op KNSM-eiland, toont de rijke variatie van portretkunst. Gefascineerd door het genre laat Micha Wertheim zich door Sander Steeman vereeuwigen. Een portret van de portrettist, in vijf zittingen: ‘Een goed portret is een verzameling van tijd.’
Wie het appartement van schilder Sander Steeman (59) bezoekt, wordt bij binnenkomst onderzoekend aangekeken door tientallen ogen. De meeste ogen zijn van Steeman zelf, in studies van de portrettist die in zichzelf een trouw model heeft gevonden. Overal in de kleine ruimte op de derde etage in De Pijp hangen complete en minder complete versies van zijn vriendelijke gezicht. Grijzend rossig haar, een verzorgd baardje en een nieuwsgierige blik in de blauwe ogen. Bij nadere inspectie besef je dat de schilder natuurlijk niet naar jou kijkt, maar naar zijn eigen kop in de spiegel. Dat wonderlijke ovale lichaamsdeel waarmee we allemaal rondlopen en waarvoor we hooguit tijdens het tandenpoetsen even aandacht hebben.
Toch zijn het niet alleen maar zelfportretten die de gekleurde wanden van Steemans woning sieren. Er hangen ook andere koppen tussen. Zoals het vrolijke hoofd van Lalo Fernandez, met wie hij sinds twintig jaar samenleeft. Met lachende ogen kijkt Lalo vanachter zijn grote zwarte brilmontuur de wereld in. En dan zijn er nog de samengeknepen ogen van een oudere dame die meermaals door Steeman is vereeuwigd. Dat is zijn voormalige buurvrouw, de Amsterdamse kunstenaar Wendelien Schönfeld, die al jaren wekelijks met Steeman afspreekt om tegenover elkaar te oefenen op het bijna uitgestorven ambacht van het portretschilderen naar de waarneming.
Klei, hout of steen
Tot 9 juni wordt in Loods 6, een expositieruimte aan de KNSM-laan in Amsterdam, de Portretbiënnale 2024 gehouden. Op die tweejaarlijkse tentoonstelling tonen vijfentwintig leden van het Nederlandse Portretschap samen met twaalf gastexposanten hun kunsten aan het publiek. Het is een bont gezelschap van schilders, beeldhouwers en grafici die allemaal de kunst van het portretteren beheersen. In olieverf, zoals Steeman, maar ook in klei, hout, steen of papier-maché. Er zijn er zelfs die digitaal werken. Sommige portrettisten beperken zich tot de kop, anderen nemen ook het lijf en soms de hele omgeving van de geportretteerde mee.
Beeld Jonathan Herman
Het aardige van zo’n expositie is niet alleen dat de bezoeker ongegeneerd lang naar andermans gezichten kan kijken, iets wat je in het dagelijks leven niet kunt doen zonder het risico van een klap in je eigen gezicht. De bezoeker krijgt ook een kijkje in de vele, zeer uiteenlopende mogelijkheden die portrettisten hebben om iemand vast te leggen. Wie weleens in de National Portrait Gallery in Londen is geweest, weet hoe leuk dat kan zijn. De zalen hangen er vol Britten die hun sporen hebben verdiend in de sport, muziek, politiek, literatuur en wetenschap; gezichten die je als bezoeker allemaal denkt te kennen uit kranten of van tv, maar die in geschilderde vorm veel meer van de geportretteerden laten zien dan het doodse superrealisme van Madame Tussauds. Dat is het wonderlijke van portretkunst. Een portret naar levend model is een optelsom van vele momenten. Daarom is het zo jammer dat portretteren een vaardigheid is waaraan op Nederlandse kunstacademies vrijwel geen aandacht meer wordt besteed.
Hoe leuk is het dan om zelf een keer geportretteerd te worden! Om zelf te ervaren hoeveel werk er in een portret gaat zitten, van de maker te horen waarom een foto niet genoeg is om iemand treffend vast te leggen, om vervolgens oog in oog te staan met je eigen beeltenis, gezien door de ogen van een ander.
Jackson Pollock
Midden in Steemans woonkeuken, waar iedere andere bewoner de eettafel zou plaatsen, staan een kar vol verftubes, een paar boeketten van kwasten in potten, een schildersezel met daarop een alvast egaal blauw gesausd doek, een palet met een stuk of acht toefjes olieverf en een comfortabele maar versleten fauteuil voor het model. Dat alles staat op een groot stuk zeil dat zo vol met verfspetters zit, dat het onmiddellijk doet denken aan een schilderij van Jackson Pollock, de Amerikaanse abstract-expressionist die wereldberoemd werd door in trance verfspetters over grote doeken te laten druipen. Op het eerste gezicht is Steeman zijn tegenpool: een introverte figuratieve schilder wiens werk je in het Stedelijk Museum niet gauw zult aantreffen.
Toch leer ik al tijdens de eerste van vijf sessies, waarin ik steeds meer dan twee uur zit, dat er meer overeenkomsten dan verschillen zijn. Want anders dan ik dacht gaat het bij portretschilderen helemaal niet om de gelijkenis – al is dat natuurlijk wel een beginpunt. “Het gaat mij vooral om de kleuren,” zegt Steeman als we een halfuurtje bezig zijn. “Hoe meer ik schilder, hoe meer kleuren ik ben gaan zien. Er zitten, als je echt goed kijkt, zo veel meer kleuren in een gezicht dan je in eerste instantie ziet. Je hebt tijd nodig om die te ontdekken. Bovendien veranderen ze voortdurend. Omdat het licht buiten verandert, maar ook omdat iemands gezicht beweeglijk is en het licht daardoor steeds op een andere manier breekt.”
Daarmee ruimt hij meteen het tweede misverstand uit de weg: als model hoef ik helemaal niet stil te zitten. Liever niet zelfs. Natuurlijk is het de bedoeling dat ik een punt op de muur kies waar ik ongeveer naar kijk. Maar het is juist fijn als we met elkaar praten. Oefenpartner Wendelien Schönfeld, die hem bij het Nederlands Portretschap haalde, drukte Steeman zelfs op het hart altijd wat gespreksonderwerpen achter de hand te hebben zodat het gesprek niet stilvalt. Alleen dan kun je de beweging van een gezicht meenemen.
Opblaasbare draak
Steeman blijkt voordat ik kwam al wat tv-programma’s te hebben bekeken waarin ik optrad. “Om je kop een beetje te leren kennen.” Dat ik momenteel een baard heb doet hem goed. “Hoe meer er op een gezicht gebeurt, hoe beter. Dat maakt het schilderen van jonge mensen zo verschrikkelijk moeilijk. Die hebben nauwelijks rimpels, waardoor je als schilder veel minder aanknopingspunten hebt.”
Steeman wil het liefst dat ik hem niet recht aankijk, omdat mijn neus dan beter uitkomt. En dus vestig ik mijn blik op een klein zelfportretje dat net rechts van de schilder hangt. Zo zullen we in in de loop van een paar weken zo’n tien uur tegenover elkaar zitten: Steeman die vanachter zijn ezel naar mij kijkt, ik die vanuit mijn stoel naar een zelfportret van Steeman kijk en het zelfportret waarin Steeman in wezen naar zichzelf kijkt. Een Mexican standoff, zoals in Reservoir Dogs, maar dan in een sfeer van totale ontspannenheid.
Ondertussen praten we over wat er in Israël gebeurt, waarom we vaker naar musea zouden willen gaan maar dat niet doen, en over schrijver en de in 2021 overleden kunstenaar Anton Valens, met wie Steeman op de academie zat en goed bevriend was. Lezers van Valens zouden Steeman kunnen herkennen als de boezemvriend van Peter Vervest, de hoofdpersoon uit de deels autobiografische roman Het compostcirculatieplan.
Zo nu en dan wandelt Fernandez even de woonkamer binnen om thee te zetten in de keuken, waar zelfs de kastjes versierd zijn met gekrijtte zelfportretten. De rest van de tijd zit hij in de andere kamer van het appartement te werken aan fluorescerende kostuums en een opblaasbare draak voor het grote Rapidofeest in Paradiso.
De Eppo en de Tina
Als we na tweeënhalf uur klaar zijn met onze eerste sessie, ben ik helemaal ontspannen. Blijkbaar komt een mens tot rust wanneer hij nauwlettend in de gaten wordt gehouden. Voor het eerst mag ik kijken naar wat er inmiddels aan de andere kant van de ezel in de verf staat. “Het zijn alleen nog wat omtrekkende bewegingen, hoor,” verontschuldigt Steeman zich, terwijl ik danig onder de indruk ben van hoe ver hij al met kleur en vorm is gekomen. Dat het schilderij gaat lijken is zonneklaar, al moet ik ook denken aan wat de cultuurhistoricus George Mosse ooit zei in een lezing die ik bijwoonde: ‘Er is een groot verschil tussen wie we denken dat we zijn en wie we werkelijk zijn. Als we onszelf in de spiegel werkelijk zouden waarnemen, dan zouden we per direct een kogel door ons hoofd jagen.’ Zo erg is het gelukkig niet, maar wat ik zie maakt me wel duidelijk dat er een verschil is tussen wie ik denk te zijn en wie ik ben.
Op de fiets naar huis bedenk ik dat ik bij het maken van een selfie altijd snel een glimlach tevoorschijn tover. Dat werkt niet alleen fijn op een foto, het leidt ergens de aandacht af van hoe ik er echt uitzie. Die controle over hoe ik eruitzie heb ik tijdens het poseren voor Steeman ingeleverd.
Als ik een week later de trap naar het appartement op wandel voor onze tweede zitting, besef ik dat dit me doet denken aan de keren dat ik in het verleden met mijn therapeut afsprak. Binnen valt de drukte van het leven van me af en staat het grote glas thee al voor me klaar. Voordat we beginnen spiek ik voorzichtig nog een keer naar het schilderij. Het valt me eigenlijk wel mee. Ik ben geen 20 meer, mijn neus is inderdaad vrij groot, maar ik geloof wel dat ik dat ben. Ik neem plaats in de stoel en zoek net als de vorige keer oogcontact met het zelfportret.
Tekenen, zo leer ik als we even later weer bezig zijn, zit bij Steeman in de genen. Zijn vader, Jan Steeman (1933-2018), was illustrator en verdiende zijn geld onder andere met het tekenen van strips voor de Eppo en de Tina. Zoals sommige mensen worden geboren met een perfect balgevoel, zo kreeg Sander Steeman het vermogen mee om alles te tekenen wat hij maar wilde. “Mijn geld verdiende ik met reclamewerk, altijd over mensen. Mensen gaan me goed af. In mijn vrije tijd heb ik altijd koppen getekend naar de fantasie. Dat geeft mij rust.”
Hij schetste jarenlang storyboards zodat klanten zich een reclame konden voorstellen zoals die er op tv uit zou komen te zien. Het kostte hem nauwelijks moeite om op commando een bekend gezicht van een acteur of sporter in zo’n storyboard te verwerken. Een leuke en lucratieve business, die hem de mogelijkheid bood om daarnaast in zijn schetsboeken te tekenen, de enige plek waar hij zich echt vrij en onbespied voelt. Soms, als een fantasietekening in een van die boekjes echt tot leven kwam, besloot hij er een schilderij van te maken. Zoals het wonderlijke boeket spookjes dat boven het zelfportret hangt waar ik naar kijk.
Ik vraag hem wat het verschil is tussen illustreren en wat hij nu doet. “Iemand zei ooit tegen me dat bij een schilderij, als het goed gaat, iedere fase de moeite van het bekijken waard is. Terwijl je als illustrator veel meer naar een eindproduct toewerkt.”
Met de billen bloot
Door het reclamewerk was het exposeren of verkopen van vrij werk nooit noodzakelijk. Het maakte Steeman autonomer dan menig andere kunstenaar. “Ik heb in die tijd ook eens een stapeltje bakstenen geschilderd. Volgens Wendelien had ik daar ook mee door kunnen gaan, maar ik heb meer met koppen.” Pas in de afgelopen twee jaar, toen het reclamewerk opgedroogde omdat kunstmatige intelligentie nu doet wat Steeman altijd deed, werd hij voor het blok gezet. Op bijna 60-jarige leeftijd werd hij door financiële omstandigheden gedwongen toe te geven aan zijn schildertalent. “Achteraf is het een zegen,” zegt hij als er weer ruim twee uur voorbij zijn gevlogen. “Als ik vroeger aan mensen in de reclame vertelde dat ik ook schilderde, was hun vraag altijd of ik mijn schilderijen verkocht – niet wat ik schilderde of hoe. Ik heb mijn schilderwerk ook te lang niet aan anderen durven laten zien. Door het instorten van de reclamemarkt moet ik nu met de billen bloot.” Al maakt hij nog altijd werk in zijn tekenboekjes, voegt hij eraan toe, dat niemand te zien krijgt.
Als ik voor mijn derde sessie langskom, verontschuldig ik me voor het feit dat ik mijn woekerende baard heb laten terugsnoeien. Het lijkt Steeman, die onmiddellijk begint te werken, niet te deren. “Het licht is sinds de vorige keer zwaar veranderd,” stelt hij vast terwijl hij geduldig de kleuren op het palet mengt met een van de drie penselen in zijn handen. Maar ook dat is niet erg. “Al dat licht komt erin. Een goed portret is eigenlijk een verzameling van tijd.”
Portretschilderen gaat niet om het vastleggen van een moment. Dan kun je net zo goed werken naar een foto, zoals ze in tv-programma’s vaak doen. De kunst is juist om geduldig te zijn, zodat alle tijd die je investeert wordt opgeteld. Dat kan alleen wanneer je het aandurft om geen einde te forceren. Het einde moet een verrassing zijn.
Dan komt de fotograaf van de krant binnen. In een uur is hij klaar. Als hij me een paar dagen later het resultaat mailt, valt me op dat ik op bijna al zijn foto’s weer een glimlach opzet. Beter dan vroeger zie ik dat het, hoe mooi en zorgvuldig ook gemaakt, momentopnames zijn. Voor mijn geschilderde portret moet ik nog minstens twee keer langskomen. Of eigenlijk: mág ik langskomen, want ik zal de rust, de aandacht en de gesprekken behoorlijk missen. Het is een fijn idee dat al die tijd niet verloren gaat, maar door Sander Steeman wordt opgeslagen in het schilderij.
Lees hier in het Parool
Zondag 9 juni om 14.00 uur is er in Loods 6 een debat over de bezuinigingen in de cultuursector o.l.v. Chris Keulemans (schrijver, oud directeur De Balie) met o.a. Sietze Hylkema (VVD Amsterdam) en kunstenaar Lisa Wiersma (bekend van Het Geheim van de Meester).

Volg Micha