18 oktober 2020

Column OVT: Vught

Deze maand stuurde een goede vriendin mij het voorwoord dat Karel van het Reve schreef bij het door hem geredigeerde dagboek, dat David Koker schreef in Kamp Vught.

Ze vermoede dat ik het mooi zou vinden.

Dat boek lag al langer op een stapel met camp literatuur, die ik al jaren voor mij uit schuif. Maar mooi is de inleiding zeker.

Karel van het Reve begreep als geen ander dat een historicus het meeste effect sorteert wanneer die zich beperkt tot de feiten. Die feiten zijn in dit geval even eenvoudig als gruwelijk. De jonge zeer begaafde en belezen schrijver, tevens schoolvriend van Karel van het Reve werd enkel omdat hij een jood was, eerst gevangengezet toen op transport gezet en later vermoord.

Wat de vriendin die mij de inleiding stuurde niet wist, is dat mijn Opa in dat boek figureert. Nog wel op de dag waarop mijn moeder in de onderduik werd geboren. Wat noch mijn Opa, noch David Koker op dat moment kon weten. Mijn Opa en David Koker waren kampgenoten. Alle rede dus om er eindelijk aan te beginnen, maar ook een argument om het lezen nog even uit te stellen.

Kampgenoten was een woord dat ik al kende voor ik wist om wat voor kamp het eigenlijk ging. Soms als we bij Opa en Oma waren kwam er een man op bezoek die ook geen familie was en weinig zei. ”Die meneer”, zei mijn moeder dan, ”was een kamp genoot van Opa.” Dat dat kamp een band had geschapen begreep ik wel, maar hoe het precies zat, dat had ik toen niet kunnen uitleggen. Wel vermoede ik dat het kamp niet alleen maar een leuke plek was waar je vrienden voor het leven maakte. Het kamp had namelijk ook te maken met het rekverband dat Opa iedere ochtend om zijn benen moest wikkelen alvorens hij zijn pak aantrok.

Terwijl Oma haar korset aantrok, zat opa iedere ochtend op de rand van het bed in de weer met dikke rollen verband. Soms hielp Oma hem een handje, soms kwam er een mevrouw langs speciaal om iets met Opa’s benen te doen. Onder dat verband zaten wonden die nooit meer over zouden gaan. Ook dat kwamen, zo was mij verteld, door het kamp. Wanneer het werd verteld, weet ik niet. Ik wist het gewoon.

Zoals ik ook al heel jong wist dat het dove oor van mijn vader iets te maken had met het kamp. Het kamp was eigenlijk altijd aanwezig, net als de onderduik, de bevrijding en schandelijke manier waarop mijn familie na de oorlog had moeten vechten om een deel van dat wat van hen was afgepakt weer terug te krijgen.

Volgens Primo Levi had je na de oorlog mensen die zwegen en mensen die praatten. Wie eenmaal begon met praten kon er niet meer mee ophouden. Wie zweeg kon er alleen over zwijgen. Beide strategieën kunnen tot verstikking leiden.

Ik groeide op tussen de praters. Als we langs station Vught liepen – mijn grootouders hebben hier vrijwel hun hele leven op steenworp afstand van de Station gewoond – merkte mijn Oma terloops op dat ze de kinderen die hier op transport werden gezet nog iedere dag hoorde schreeuwen.

Toen mijn Opa na een hersenbloeding belandde in het verzorgingstehuis, net aan de andere kant van station Vught, merkte hij op dat je in Auschwitz ten minste nog kon hopen dat je door de poort, en niet door de pijp zou vertrekken. Hier op de verpleegafdeling staat een ding vast, iedereen vertrekt door de pijp.

Omdat lang niet iedereen opgroeide tussen praters, besloot Karel van het Reven in 1977 nog maar eens heel zakelijk uiteen te zetten wat er nou precies gebeurd was tussen 12 februari 1943 en 8 februari 1944. De dagen waarin Koker in zijn dagboek bijhield.

”Voor hen, die niet op de hoogte zijn van de omstandigheden waaronder dit dagboek ontstond (en dat zijn er gelukkig steeds meer): de Duitsers – men spreekt altijd van ‘de’ Duitsers; in werkelijkheid waren het er maar enkelen. Maar zij werden bij was zij deden geholpen door bijna alle andere Duisters en ook door bijna alle Nederlanders die erbij betrokken waren – de Duitsers dus wilden alle in Nederland woonachtige joden vermoorden.”

Wat volgt zijn secuur opgeschreven herinnering aan zijn veel te jonggestorven vriend. Maar wat bij mij na het lezen van dat voorwoord het meest bij bleef is, was wat daar tussen haakjes stond. Dat er volgens Karel van het Reve, ‘gelukkig’ steeds meer mensen niet meer weten van de omstandigheden waaronder de Jodenvervolging plaats vond.

We vertellen onszelf bij iedere herdenking hoe belangrijk het is dat we niet vergeten. Nooit vergeten is de rede dat er tot op de dag van vandaag monumenten bij komen. Op de synagoge van Maastricht werd deze week een monument geplaatst, in Amsterdam bouwt men na jaren steggelen nu het zogenaamde namen monument. Allemaal zodat we kunnen onthouden, wat zij die het daadwerkelijk hadden meegemaakt, zo graag wilden kunnen vergeten.

 

 


Delen
Volg Micha ook op   facebook twitter